PopUp MP3 Player (New Window)

Praag in 3D

Tsjechië in het algemeen en Praag in het bijzonder hebben het kenmerk dat het middeleeuwse stadsbeeld er in grote trekken bewaard is gebleven. Ondanks de wereldoorlogen en het socialisme, of wellicht dankzij het socialisme zijn stadskernen vrijwel niet veranderd. Zo heerst er soms een museum-achtige sfeer die elders al lang verdwenen is.
De geschiedenis van Praag begint rond 900 bij prinses Libuše. Volgens de overlevering had zij een vooruitziende blik en voorspelde dat daar een stad zou verrijzen, waarvan de roem tot in de hemel zou reiken.

Zij was de stammoeder van de Přemisliden, de dynastie die tot 1306 onafgebroken over Bohemen zou heersen. De bekendste telg uit dit geslacht was Wenceslas I (Václav I), een godvruchtig koning die in 929 door zijn jaloerse broer werd vermoord.

Hij is als martelaar en heilige de Tsjechische geschiedenis ingegaan. Je kunt hem vinden op het paard op het Wenceslasplein.
Een prominente plaats in de geschiedenis kreeg Praag toen het werd uitverkoren tot hoofdstad van het Duitse keizerrijk door Karel IV (1346-1378). Hij liet een nieuw stadsdeel aanleggen (Nové Město) en gaf opdracht de St. Vituskathedraal te bouwen. Ook stichtte hij de naar hem genoemde universiteit.
Na Karel IV ging het slechter. De adel verrijkte zich mateloos en de kerk deed daaraan mee. Dit zette kwaad bloed bij de bevolking. De hervormer Jan Hus wist deze gevoelens van onvrede goed te verwoorden.
Dat viel natuurlijk niet goed bij de keizer en de bisschoppen, die hem in 1415 op de brandstapel brachten.
Onder Rudolf II (1576-1611) werd Praag opnieuw het culturele middelpunt van Europa.
Zijn opvolger Matthias verplaatste het hof naar Wenen en schafte de godsdienstvrijheid af. Dat was het startsein voor een nieuwe opstand van protestantse edelen. Hierdoor raakte het Habsburgse Huis verzeild in de 30-jarige oorlog (1618-1648).
De Boheemse edelen werden echter in 1620 verslagen in de Slag om de Witte Berg (Bíla Hora) even ten noorden van Praag.
Na deze verwoestende oorlog kwam de contra-reformatie op gang en werden barokke kerken en kloosters gebouwd om de heersende ideologie te onderstrepen. Dit zou zo'n 300 jaar duren.
In het midden van de 19e eeuw kreeg Tsjechië meer zelfbewustzijn, evenals dat elders in Europa kwam, en zocht men naar uitingen van nationalisme. Smetana componeerde Má Vlast (Mijn Vaderland) en werd het Nationaal Theater gebouwd.
Het zou nog tot 1918 duren voordat de onafhankelijkheid van Tsjecho-Slowakije werd uitgeroepen. De Tweede Wereldoorlog en het daarop volgende socialisme heeft diepe wonden achtergelaten, maar niet het zelfbewustzijn vermoord.
De Praagse Lente (1968) wordt met Jan Palach nog steeds herdacht en de Fluwelen revolutie (1989) maakte Tsjecho-Slowakije tot een onafhankelijke staat naar westers model. Schrijver en voormalig dissident Václav Havel werd president.
Eind 1992 werden Tsjechië en Slowakije afzonderlijke staten.

Klik op de foto's boven voor vergrotingen of op  bladerboek of  slides.